Inbreuk codes

A. SCHEMA’S
A.  001 Eendraadsschema(’s) van de installatie is (zijn) te voorzien (art. 16, 268, 269 AREI).
A.  002 Situatieschema(’s) van de installatie is (zijn) te voorzien (art. 269 AREI).
A.  003 Eendraadsschema(‘s) aanpassen in overeenstemming met de werkelijkheid (art. 16, 268-269 AREI)
A.  004 Situatieschema aanpassen in overeenstemming met de werkelijkheid (art. 269 AREI).
A.  005 De vermelding van de gegevens van de installateur, van de eigenaar en het adres van de installatie ontbreken op de schema’s en plannen (art. 269 AREI).



B. ELEKTRISCHE BORDEN
B.  001 De nominale spanning dient duidelijk vermeld te worden op een oordeelkundig gekozen plaats.
B.  002 Pictogram “levensgevaar” dient op degelijke wijze aangebracht te worden.
B. 003 Draaddoorsnede van de geleiders dient aangepast te worden aan de toelaatbare stroomsterkte van de stroomafwaarts geïnstalleerde verbruiker.
B.  004 Minstens twee stroomkringen voor de verlichting te voorzien (art. 86.06 AREI).
B.  005 Het schakelbord op ongeveer 1,50 m boven de vloer plaatsen (art. 248.03 AREI).
B.  006 De toegankelijkheid van het schakelbord is te verbeteren (art. 248.03 AREI).
B.  007 Het schakelbord dient vervangen te worden, de beschermingsgraad tegen rechtstreekse aanraking is onvoldoende (art. 248.01 AREI).
B.  008 Het verdeelbord is te voorzien van een achterwand (art. 248.01 AREI).
B.  009 Deur of afschermplaat van het schakelbord (terug)plaatsen. Aanraking van naakte onder spanning staande delen is mogelijk (art. 19, 49.01 en 248 AREI).
B.  010 De genaakbare, naakte onder spanning staande delen zijn niet op een afdoende wijze afgeschermd (art. 19, 49.01 AREI).
B.  011 De niet-gebruikte invoeringen van het schakelbord of kast dienen afgedicht te worden (art. 19, 49.01 en 248 AREI).
B.  012 Een algemene alpolige scheidingsschakelaar te voorzien (art. 248.02 AREI).
B.  013 De aanduiding van de stroomkringen en/of apparatuur, aansluitingsklemmen, enz. dient aangebracht of vervolledigd te worden (art. 16, 252 AREI).
B.  014 De aangebrachte aanduidingen stemmen niet overeen met die van de schema’s (art. 16, 268 AREI).
B.  015 Automatische schakelaar(s), contactor(en) dienen geplaatst te worden volgens de instructies van de fabrikant (art. 9, 252 AREI).
B.  016 In meerfasige kringen is de smeltveiligheid of éénpolige automaat in de nulgeleider te verwijderen of is de beveiliging van de betrokken kringen te vervangen door alpolige automaten (art. 133 AREI).
B.  017 De stroomkring(en) moet(en) zo uitgevoerd worden dat hij (zij) niet ongewild door andere stroombanen gevoed kan (kunnen) worden, de kringen aangesloten op meerdere stroombanen zijn te scheiden (art. 13.01 AREI).
B.  018 De smeltveiligheidshouders of houders van automatische schakelaars dienen voorzien te worden van calibreerelementen (art. 251.01 AREI).
B.  019 De overbrugde zekering(en) moet(en) vervangen worden (art. 265 AREI).
B.  020 De overbrugde automa(a)t(en) moet(en) vervangen worden (art. 265 AREI).
B.  021 De nominale stroomsterkte(n) van de beveiliging dient aangepast te worden aan de toelaatbare stroomsterkte van de stroomafwaarts geïnstalleerde leiding en/of verbruiker (art. 116, 117, 118 AREI).
B.  022 De leidingen waarvan de doorsnede van de geleider 1mm2 bedraagt, moeten door smeltveiligheden met een nominale stroomsterkte (ln) van maximum 6A of automaten van maximum 10A beschermd worden (art. 278.05 AREI).
B.  023 De leidingen waarvan de doorsnede van de geleiders minder dan 1mm2 bedraagt, moeten verwijderd of vervangen worden of voorzien te worden van een afdoende beveiliging voor de betrokken toepassing (art. 278.05 AREI).
B.  024 De stroomkring(en) voor de contactdozen moet(en) uitgevoerd worden met leidingen met een minimale doorsnede van 2,5 mm2, de minimale doorsnede van 1,5 mm2 is enkel toegelaten voor stroombanen die geen contactdozen bevatten (vb. stroombanen enkel voor verlichting) (art. 198 AREI).
B.  025 Gemengde stroomkring(en) - verlichting en contactdo(o)s(zen) moet(en) uitgevoerd worden met leidingen met een minimale doorsnede van 2,5 mm2 (art. 198 AREI).
B.  026 De stroomkring(en) voor de aansluiting van elektrische fornuizen, washuizen en wasmachines moet(en) uitgevoerd worden met leidingen met een minimale doorsnede van 6 mm2 voor één-fasige of 4 mm2 voor driefasige kringen. Een afwijking hierop is mogelijk mits het gebruik van onderstaande voorwaarden: - ofwel de geleiders installeren in een buis met diameter van minstens 1” (= 25mm); - ofwel een reservebuis installeren die uitkomt in de nabijheid van een voedingspunt; - ofwel kabel voorzien gemonteerd in opbouw (art. 198 AREI).



C. EQUIPOTENTIAALVERBINDINGEN
C.  001 Een hoofd-equipotentiaalverbinding is te installeren en te verbinden (art. 72, 78.05 AREI).
C.  002 De aansluitingen van de hoofd-equipotentiaalverbindingen (water-, gasleiding, vertrek- en terugvoerleidingen van verwarming) dienen vervolledigd te worden (art. 72.01 AREI).
C.  003 Hoofd-equipotentiaalgeleider(s) met een doorsnede van min. 6 mm met geel/groene isolatiekleur is (zijn) te voorzien (art. 72.02 AREI).
C.  004 Bijkomende equipotentiaalverbinding(en) in de badkamer of douche is (zijn) te installeren (art. 86.10 AREI).
C.  005 De plaatsing van bijkomende equipotentiaalverbinding(en) in de badkamer of douche is (zijn) te vervolledigen.
C.  006 Bijkomende equipotentiaalverbinding(en) te verwezenlijken met geel/groene geleider(s), doorsnede minstens 4 mm2 (of 2,5 mm2 onder buis) (art. 73.02, 199 AREI).
C.  007 De doorsnede van de hoofd-equipotentiaalverbindingen dient aangepast te worden (art. 72.02 AREI).
C.  008 De continuïteit van de equipotentiaalverbindingen dient verzekerd te worden (art. 72.03, 73.03 AREI).
C.  009 De kleurcode werd niet nageleefd, geleider met geel/groene isolatiekleur is te voorzien voor de equipotentiaalverbindingen (art. 72.03, 73.03 en 199 AREI).
C.  010 De doorsnede van de bijkomende plaatselijke equipotentiaalverbinding(en) dient aangepast te worden (art. 73.02 AREI).



D. AARDING
D.  001 De aardgeleider dient stroomafwaarts van de hoofdaardingsklem aangesloten te worden en de beschermingsgeleider van toestellen en/of equipotentiale verbindingen stroomopwaarts.
D.  002 Een aarding verwezenlijken overeenkomstig de voorschriften (art. 68 - 71 AREI).
D.  003 Afwezigheid van aardingslus onder de fundering. Een afwijking moet aangevraagd worden aan de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, Bestuur Energie: North Gate III, Koning Albert II laan 16 - 1000 Brussel - Tel. 02/277 70 78 - Fax 02/777 52 05 (art. 86.01 AREI).
D.  004 De waarde van de spreidingsweerstand mag maximaal 30 Ohm bedragen (art. 88.05 AREI°
D. 005 De waarde van de spreidingsweerstand is niet aangepast aan de gevoeligheid van de geplaatste differentieelschakelaar (niet-huishoudelijke installatie) (art. 88.05 AREI).
D.  006 Aarding is verwezenlijkt door gebruik van water- en/of gasleidingen. Een aarding verwezenlijken conform de voorschriften (art. 68 - 71 AREI).
D.  007 De aardgeleider (verbinding tussen aardelektroden en de hoofdaardingsklem) uitvoeren met een doorsnede van minstens 16 mm2 ader uit koper (art. 71 AREI) met geel/groene isolatie (art. 199 AREI).
D.  008 De aansluiting van de equipotentiaal- en/of de beschermingsgeleiders is uit te voeren d.m.v. las- of klemverbinding (art. 70.04/05 AREI).
D.  009 Een demonteerbaar aansluitstuk (aardingsonderbreker) dient aangebracht te worden in de aardgeleider teneinde de meting van de verspreidingsweerstand mogelijk te maken (art. 28, 70.05 AREI).
D.  010 Een demonteerbaar aansluitstuk (aardingsonderbreker) moet steeds gemakkelijk toegankelijk zijn (art. 15, 86.01 AREI).



E. ISOLATIE
E.  001 De algemene isolatieweerstand voor de installatiedelen gebouwd vóór 24/06/2000 is onvoldoende en dient op een waarde gebracht te worden die hoger is dan 25.000 Ohm (art. 20 AREI).
E.  002 De isolatieweerstand van deze kring is onvoldoende en dient op een waarde gebracht te worden die hoger is dan 500.000 Ohm (art. 20 AREI).



F. DIFFERENTIEEL
F.  001 Een verzegelbare algemene differentieelschakelaar dient geplaatst te worden aan het begin van de installatie (art. 86.07 AREI).
F.  002 Een algemene differentieelschakelaar met een nominale stroom (ln) van minstens 40 A en een gevoeligheid van maximum 300 mA dient geplaatst te worden (art. 86.07, 248.02 AREI).
F.  003 De nominale stroomsterkte van de differentieelschakelaar dient aangepast te zijn aan de overstroombeveiliging (art. 85.02, 116 AREI).
F.  004 Een afzonderlijke differentieelschakelaar met een gevoeligheid van 30 mA plaatsen voor de installaties van badkamer(s) (art. 86.08 AREI).
F.  005 Een afzonderlijke differentieelschakelaar met een gevoeligheid van 30 mA plaatsen voor wasmachine, vaatwasmachine en/of droogkast en gelijkaardige toestellen (art. 86.08 AREI).
F.  006 De algemene differentieelschakelaar dient aan het begin van de installatie (onmiddellijk stroomafwaarts van kWh-teller) geplaatst te worden, teneinde van de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking te verzekeren bij gebruik van leidingen van klasse I (vb.: XFVB, VFVB, EXAVB, EVAVB) (art. 68, 86.07 AREI).
F.  007 Aanduiding van 22,5 kA2s ontbreekt op de differentieelschakelaar.
F.  008 Bijkomende differentieelschakelaar(s) met een gevoeligheid van 30 mA plaatsen (waarde van verspreidingsweerstand van de aarding Ra > 30 Ohm), op de bestaande differentieelbeveiliging zijn twee of meer kringen met meer dan 16 contactdozen aangesloten (art. 86.07 AREI).
F. 009 Testknop differentieel werkt niet.



G. DE BESCHERMINGSGELEIDER
G.  001 De beschermingsgeleider (PE) over de hele installatie verdelen (art. 70.06, 86.02, 86.04 AREI).
G.  002 De beschermingsgeleider(s) (PE) is (zijn) te voorzien in een doorsnede van minstens 4 mm2 (aderisolatiekleur, geel/groen) indien niet mechanisch beschermd of met een doorsnede van minstens 2,5 mm2 (aderisolatiekleur geel/groen) onder buis (art. 70.02 AREI).
G.  003 De continuïteit van de beschermingsgeleider(s) naar de aarde dient verzekerd te worden (art. 70.05 AREI).
G.  004 Contactdo(o)s(zen): de aardingspen dient aangesloten te worden op de aarding van de isolatie (art. 86.03 AREI).
G.  005 Het verbruikstoestel met geleidend omhulsel en enkel basisisolatie (klasse I) moet d.m.v. een beschermingsgeleider (PE - met geel/groene isolatiekleur) aangesloten te worden op het aardingsnet (art. 30.07, 70.06 AREI).



H. KLEURCODE EN LEIDINGEN
H.  001 Wij raden U aan de niet-gebruikte leidingen te verwijderen.
H.  002 De niet-gebruikte leidingen verwijderen of aan de uiteinden isoleren.
H.  003 Vervang geel/groene geïsoleerde geleider gebruikt als actieve geleider (art. 199 AREI).
H.  004 Wanneer een geleider met blauwe aderisolatie gebruikt wordt, moet die voor de “nulgeleider” gereserveerd te worden indien deze aanwezig is in betrokken stroomkring (art. 199 AREI).
H.  005 De leiding(en) is (zijn) te bevestigen met aangepaste bevestigingsmiddelen (art. 143, 209 AREI).
H.  006 De niet-gepantserde kabel(s) moeten mechanisch beschermd worden waar ze aan beschadiging of schokken blootgesteld zijn (doorgang van muren, plafonds, enz.) (art. 201, 209 AREI).
H.  007 De kabels van het type XVB, VVB en/of C/VGVB moeten mechanisch beschermd worden op de aan beschadiging blootgestelde plaatsen tot op minimale hoogte van 10 cm boven het vloerniveau (art. 201 AREI).
H.  008 De aanbevolen trajecten in de muren van lokalen moeten in acht genomen worden bij het inbouwen van niet in buis geplaatste kabels van het type XVB of VVB (art. 214.02 AREI).
H.  009 De geleiders van het type VOB moeten in daarvoor bestemde buizen/kabelgoten geïnstalleerd worden (art. 207, 210 AREI).
H.  010 De elektrische leidingen op voldoende afstand van alle andere niet-elektrische leidingen installeren (art. 202 AREI).
H.  011 Het gebruik van contactstop(pen) (stekkers) is enkel toegelaten bij aansluiting van snoeren op de vaste installatie (art. 240 AREI).



I. TOESTELLEN
I.  001 Schakelaars, contactdoos of aftakdoos herschikken en/of opnieuw bevestigen.
I.  002 De verbindingen verwezenlijken in verbindings- of aftakdozen, aan de klemmen van schakelaars, in contactdozen, in plafonddozen van verlichtingstoestellen (art. 207.07 AREI).
I.  003 Indien de onderbreking van de stroombaan uitgevoerd wordt door een eenpolige schakelaar moet deze schakelaar de fase onderbreken en niet de nulgeleider (art. 250.02 AREI).
I.  004 De schakelaar die een stopcontact met een nominale stroomsterkte groter dan 16 A bedient moet alle actieve geleiders onderbreken (art. 250 AREI).
I.  005 De schakelaars en de contactdozen die in de wanden ingebouwd zijn, moeten in aangepaste inwerkdozen of blokken geplaatst zijn (art. 249.01, 250.03 AREI).
I.  006 Contactdozen, conform NBN C61-112, met kinderbeveiliging en aardingscontact plaatsen (art. 11, 49.02, 86.03 AREI).
I.  007 Plaats de contactdozen, die op de wand bevestigd zijn, op een voldoende hoogte ten opzichte van het vloerniveau, met de as van uitsparing op een hoogte van minstens 25 cm in de vochtige lokalen en 15cm in de droge lokalen (art. 249.01 AREI).
I.  008 Het materiaal moet gekozen en geplaatst worden overeenkomstig de uitwendige invloeden (art. 19 AREI).
I.  009 Gebruik materiaal met een beschermingsgraad die minstens IP4X (IPXX-D) is (art. 19, 49.01 AREI).
I.  010 De beschermingsgraad (IP) van het elektrisch materiaal dat in de badkamer geplaatst is, moet aangepast zijn aan het volume waarin dit geïnstalleerd is (art. 19 en art. 86.10 AREI).
I.  011 De toestellen zonder aardingsmogelijkheid en enkel basisisolatie zijn niet toegelaten voor gebruik in huishoudelijke en gelijkaardige installaties (klasse 0: art. 30.07a, 86.04 AREI).
I.  012 De vast opgestelde elektrische verwarmingstoestellen zijn niet geïnstalleerd (art. 270 AREI).
I.  013 De gegevens van het toestel of de machine zijn onbeschikbaar of onvolledig; gelieve ons de nodige informatie terug te bezorgen teneinde veiligheidswaarborgen te onderzoeken (art. 5-7 AREI).
I.  014 De trafo(’s) is (zijn) niet van het type “veiligheidstrafo”, de installatie die aangesloten is aan de secundaire van de betrokken trafo(‘s) dient aldus uitgevoerd te worden volgens de voorschriften die van toepassing zijn voor laagspanningsinstallaties (art. 28, 32 AREI).



J. BRANDBEVEILIGING
J.  001 Een overstroombeveiliging in de secundaire kring van de transfo (art. 116, 127 AREI).
J.  002 De transformator(en) geplaatst in een omgevingstemperatuur die de toegelaten waarde overschrijdt dient(en) verplaatst te worden of de afkoelingswaarden zijn te verbeteren (art. 104.03, 252 AREI).
J.  003 Het toestel in de nabijheid van brandbare materialen dient verplaatst te worden; brandgevaar (art. 104 AREI).
J.  004 Toestellen zonder bodem moeten bevestigd op aangepaste montageplaten (schakelaar, contactdoos, verlichtingstoestel,...) (art. 104, 242, 249 AREI).